Vertaaloefening 2

Roodkapje en haar moeder zijn in een huis. Op een dag zegt de moeder aan Roodkapje:
- Roodkapje, vandaag is het de verjaardag van je grootmoeder en je moet cadeautjes geven. In deze mand heb ik eieren, appelen en een zachte taart gelegd. Je moet rechtdoor gaan zonder onderweg te stoppen.
- Goed, moeder. Ik zal dat doen, zegt Roodkapje. En ze gaat het huis uit.
Onderweg ziet ze bloemen en denkt: die bloemen zijn mooi. Ik ga er plukken en ze aan grootmoeder geven. Ze zal blij zijn. En ze verzamelt de bloemen.
Dan verschijnt de wolf. De wolf is heel slecht.
Hij vraagt aan Roodkapje.
- Waar ga je naartoe Roodkapje?
- Naar het huis van grootmoeder, antwoordt ze hem.
- Ja? En waar leeft (jouw) grootmoeder?
- Daar ginds. In een klein huisje daar.
- Heel goed, zegt de wolf. En hij gaat het bos in.

Itzulpena (Deel 2)

De wolf begint te lopen en komt aan het huis van de grootmoeder aan. De grootmoeder ligt in bed. De wolf klopt op de deur en de grootmoeder vraagt vanuit het huis:
- Wie is daar?
- Roodkapje, antwoordt de wolf.
- Open de deur en kom binnen, zegt de grootmoeder hem.
De wolf opent de deur van het huis, gaat binnen en eet de arme grootmoeder op. Nadien doet hij de kleren van de grootmoeder aan en kruipt in bed.
Roodkapje komt aan en klopt op de deur.
- Wie is het? vraagt de wolf vanuit bed.
- Ik ben Roodkapje.
- Open de deur en kom binnen, zegt de wolf haar.
Roodkapje gaat binnen. Ze ziet de wolf en gelooft dat het de grootmoeder is. Maar, zegt ze hem:
- Grootmoeder, wat heb je hele grote ogen!
- Dat is om je beter te zien! zegt de wolf haar.
- Grootmoeder, wat heb je grote oren!
- Dat is om je beter te horen!
- Grootmoeder, wat heb je grote tanden!
- Dat is om je beter te kunnen opeten! antwoordt de wolf haar.